Print deze pagina

Openstaan voor gedragsfactoren: De homo psychologicus in de economie

‘De homo economicus die zich zou laten leiden door zuiver rationale beslissingen, die heeft wat mij betreft wel zijn langste tijd gehad,’ zegt gedragseconoom Stephan Jagau.

Tekst Vittorio Busato

‘Uit steeds meer psychologisch en gedragseconomisch onderzoek blijkt hoezeer consumenten zich bij economische beslissingen laten beïnvloeden door psychologische en emotionele drijfveren en overwegingen. En dat mensen bijvoorbeeld onder tijdsdruk niet zelden andere beslissingen nemen of op een andere manier gaan samenwerken dan wanneer ze ruim de tijd krijgen om een economisch dilemma op te lossen.’

‘Het zal tegen het zere been zijn van menig klassiek denkend macro-econoom, maar het wordt tijd dat de homo economicus zo langzamerhand maar eens definitief plats maakt voor de homo psychologicus in de economische wetenschap. Macro-economen mogen best wel eens meer openstaan over de invloed van gedragsfactoren’, zegt gedragseconoom Stephan Jagau (28), die een bachelor haalde in management, filosfie en eonomie in Frankfurt, in zijn geboorteland Duitsland. Daarna trok hij naar het Tinbergen Institute, een samenwerkingsverband van de Erasmus Universiteit Rotterdam, de VU en UvA, voor een tweejarige onderzoekmaster die het best aansloot bij zijn interesse in de economie. Aansluitend rondde hij in drie jaar zijn proefschrift af aan de Amsterdam School of Economics, Listen to the sirens. Understanding the psychological mechanisms with theory and experimental tests, dat hij op 12 oktober jl. met succes verdedigde aan de UvA. ‘Zoals de sirenen, de half-godinnen uit de Griekse mythologie, destijds hun toehoorders trachten te verleiden met hun gezang, zo wil ik economen nu aanmoedigen open te staan voor en als het ware te luisteren naar factoren van buiten hun vakgebied die van invloed zijn op het nemen van economische beslissingen’, verklaart Jagau de titel van zijn proefschrift.

Experimenten

In zijn dissertatie beschrijft Jagau diverse gedragseconomische experimenten die hij uitvoerde. Een experiment was in hoeverre mensen in groepen andere beslissingen nemen dan wanneer ze individueel opereren. Daarbij baseerde hij zich onder meer op mathematische modellen uit de spel- en prospecttheorie en op de waarde van intuïtie bij het oplossen van complexe problemen. Voor dat laatste ging hij te rade bij het werk van Daniel Kahneman, die voor zijn baanbrekende werk voor het introduceren van de menselijke psyche in de economie in 2002 de Nobelprijs voor Economie kreeg.

Kahneman is natuurlijk vooral bekend door zijn wereldwijde bestseller Thinking, Fast and Slow dat in 2011 in het Nederlands verscheen onder de titel Ons feilbare denken. Kort gezegd hebben wij volgens Kahneman twee systemen van denken, Systeem 1 en Systeem 2. Dat eerste systeem staat voor ons impulsieve en intuïtieve denken en gaat razendsnel. Het tweede systeem staat voor onze meer weloverwogen, doordachte, langzame manier van denken. Het ene systeem is niet ‘beter’ dan het andere, aldus Kahneman, maar over beide manieren van denken moeten we wel te allen tijde sceptisch zijn. Zo is Systeem 2 vaak nogal lui en legt Systeem 1 weer veel te makkelijk causale verbanden, ook als die er niet zijn, met alle gevolgen voor onze oordeelsvorming van dien.

Conformeren

Jagau, die een groot bewonderaar is van het werk van Kahneman en wijlen zijn collega Amos Tversky, vond in zijn experimenten onder meer dat economische beslissingen die iemand als individu neemt, anders kunnen zijn dan als lid van een groep. Zo moesten proefpersonen – in de geest van het vroegere experimentele werk van Kahneman en Tversky dat vaak als een soort van loterij was opgezet – een keuze maken tussen een bepaalde winst en een bepaald verlies, beide opties met een verschillend risicoprofiel. Als individuen dan meer informatie hebben over de keuzes die anderen in de groep maken, dan conformeerden de proefpersonen zich meer aan de meerderheid – of dat nu betekende meer of minder risico nemen en of het een goede of minder goede beslissing was, terwijl ze individueel dus lang niet altijd tot dezelfde keuze kwamen.

‘Inderdaad is je conformeren aan de meerderheid vanuit sociaal-psychologisch oogpunt niet echt een revolutionair inzicht’, beaamt Jagau. ‘Maar mensen hebben zelf in het algemeen niet echt een goed idee hoe ze risicovolle, economische beslissingen nemen. Welke mechanismen spelen een rol wanneer iemand meer of minder risico neemt? Daar leveren dergelijke experimenten dus wel meer kennis over op. We leven tegenwoordig in een service-economie. Ik zou bijvoorbeeld wel meer willen weten over de invloed van vertrouwen, over wat voor beeld mensen hebben van anderen, bijvoorbeeld tijdens economische onderhandelingen. Of hoe bijvoorbeeld kwaadheid en frustratie binnen groepen van invloed kunnen zijn op het nemen van economische beslissingen.’

Stevig verankeren

Een paar maanden voor de verdediging van zijn dissertatie kreeg Jagau van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) een zogeheten Rubicon-beurs toegekend. De komende drie jaar zal hij aan de universiteiten van Californië en Zürich voortbouwen op de bevindingen uit zijn proefschrift en zich met onder meer met informatici, filosfen, biologen, economen en psychologen gaan richten op gedragseconomische theorievorming.

Jagau: ‘Qua theorievorming is er in de relatief nieuwe stroming van de gedragseconomie veel te winnen. We weten nu bijvoorbeeld wel dat emoties een belangrijke rol spelen bij economische beslissingen, nu wordt het ook zaak dat steviger te verankeren in systematische, overkoepelende kennis.’ Zürich staat er daarnaast om bekend over de beste faciliteiten te beschikken op het gebied van neuroscience en neuro-economics. ‘Het plan is dat ik me specifieker ga bezighouden met het direct meten van hersenactiviteit in combinatie met gedragseconomie. Zulk interdisciplinair empirisch onderzoek zal alleen maar bijdragen aan meer kennis en meer robuustere theorievorming over de homo psychologicus in de economie.’ «

 

Dit artikel is overgenomen uit Clou magazine© nr 91, februari 2019.