Interview; persoonlijk

Interviewen komt in een drietal vormen voor.

De eerste vorm is die van het individuele gesprek. Meest gebruikelijk is om dit te doen met een deskundige. Die deskundigheid kan betrekking hebben op kennis van een bepaald terrein - zoals de persoon die aan het spuiten van de olie uit de nieuwe boorput aan kan geven hoe groot de oliebel is die eronder zit - maar het kan ook een ervaringsdeskundige zijn - zoals de huisvrouw die  met de indeling van de keukenkastjes worstelt.

Gewoonlijk bezoekt de onderzoeker de deskundige met een lijstje vragen die nog niet volledig zijn uitgewerkt. In het minimale geval heeft de onderzoeker slechts één gespreksonderwerp en één openingsvraag. Dit noemt men een open interview, een volledig ongestructureerd interview, of ook wel een vrije-attitude-interview. Heeft de onderzoeker zich meer voorbereid dan heeft hij meestal een onderwerpenlijstje die hij aan bod wil laten komen, maar zijn de vragen per onderwerp nog niet erg concreet. Dit heet een halfopen of een gedeeltelijk gestructureerd interview. Indien de onderzoeker naar de te interviewen persoon gaat met een vragenlijst waar niet van afgeweken mag worden, dan voert hij eengestructureerd interview uit.

Het interviewen zelf bestaat uit een aantal taken en technieken die geleerd kunnen worden. Zo heeft de interviewer de taak te zorgen voor een goede ambiance (wel of niet de aanwezigheid van derden dulden), de vragen te stellen, de antwoorden te evalueren op hun bruikbaarheid, vaststellen of de geïnterviewde de vraag begrijpt, het doorvragen om tot meer bruikbare informatie te komen, de antwoorden te noteren, het gesprek te leiden door alle onderwerpen aan bod te laten komen en de tijd in de gaten houden.  Emans (1990) wijst erop dat  de interviewer zowel een taakgerichte gespreksleider moet zijn alsook een sociaal-emotioneel gespreksleider. Tussen beide taken kan een conflict ontstaan zeker als het een voor de geïnterviewde een emotioneel onderwerp is zoals abortus, drugsverslaving, of het overlijden van een kind. De neutrale houding van de interviewer kan dan in het geding komen.

      

Het gesprek wordt gewoonlijk op een geluidsband opgenomen. De onderzoeker kan deze naderhand uittypen. Een geschreven verslag kan opgestuurd worden naar de respondent waarbij hem de vraag wordt gesteld of het verslag een goede weergave is van het gesprek. Ook kan men  vragen of er nog aanvullende informatie moet worden opgenomen of dat er informatie moet worden weggelaten.

Een tweede vorm van interviewen met open vragen is het groepsgesprek. In deze vorm spreekt een aantal personen met elkaar over een bepaald onderwerp. Het moge duidelijk zijn dat dit alleen zinvol is als de leden zich gemakkelijk een eigen mening kunnen vormen en die kunnen verwoorden. Het groepsgesprek kan tot doel hebben om tot consensus te komen, maar het kan ook tot doel hebben een zo uitgebreid mogelijk pallet van aspecten te verkrijgen die met de problematiek samenhangen.
      

De onderzoeker of diens assistent treedt op als gespreksleider. De taken en de technieken om een groepsgesprek te leiden zijn niet eenvoudig maar kunnen met enige training wel worden geleerd. Belangrijk is te vermelden dat de gespreksleider er voor moet zorgen dat het de mening van de groep is en niet de mening van een dominant groepslid. Het groepsgesprek wordt gewoonlijk op geluidsband opgenomen, maar men kan ook één of meer assistenten aanstellen om het gesprek op videoband op te nemen.

De derde vorm lijkt een combinatie te zijn van beide voorgaande, maar wijkt procedureel nogal  af. Eerst voert men individuele gesprekken en maakt daarvan een verslag. Dit verslag stuurt men op naar de geïnterviewde om vast te stellen of diens mening goed is weergegeven. Na autorisatie stuurt men dit verslag op naar de anderen die dan op deze mening mogen reageren. Daarvoor kan men nogmaals naar de persoon toe gaan, maar de persoon kan ook schriftelijk reageren. De reacties stuurt men dan weer door naar de geïnterviewde. Er zijn meerdere rondes mogelijk, maar meestal beperkt men zich tot één.

Het interviewen van personen met behulp van open vragen heeft een aantal voordelen. In beginsel is er een meerwaarde te vinden in het face-to-face ondervragen daar de onderzoeker de ondervraagde ziet en hoort. De meerwaarde zit onder andere in de intonatie waarin het antwoord wordt uitgesproken (verbaasd, cynisch, etc.). Met name als het interview op geluids- en of beeldband wordt opgenomen, kunnen dergelijke uitingen grote invloed uitoefenen op de in te winnen informatie.
      

Een ander voordeel is dat de onderzoeker een toelichting kan geven als de respondent de vraag niet goed begrijpt. Het werkt ook andersom: als de onderzoeker het antwoord niet goed begrijpt, dan kan hij om een toelichting vragen.
      

Tenslotte hoeven de vragen ook nog niet helemaal uitgewerkt te zijn. Dat is belangrijk op het moment dat het onderwerp voor de onderzoeker ook nog niet sterk is afgebakend. Dit is het geval als men nog in een oriënterende, explorerende fase van het onderzoek zit, waarbij het de onderzoeker nog niet geheel duidelijk is welke aspecten wel en welke aspecten niet of nauwelijks een rol spelen. Het geeft de onderzoeker de mogelijkheid om aanvullende vragen te stellen, waardoor het onderwerp van onderzoek op een andere manier voor het voetlicht komt, dan wanneer er vooraf kernpunten of selecties zijn gemaakt.

Er zijn ook nadelen verbonden aan deze vorm van onderzoek. Ook al is de onderzoeker aanwezig, dan nog zal de ondervraagde niet altijd om een toelichting vragen als hij de vraag niet of maar half begrijpt. De onderzoeker kan de neiging krijgen om dan maar ongevraagd een toelichting te gaan geven. Ook is het vervelend dat de onderzoeker niet altijd precies dezelfde toelichting zal geven zoals hij die in alle voorgaande gevallen heeft gegeven. Er is altijd een leereffect: de onderzoeker die merkt dat een bepaalde uitleg niet goed bevalt past deze aan. Na enige tijd is dan te bemerken dat een uitleg in de loop van het onderzoek is veranderd. In het kwalijkste geval verandert de toelichting de intentie van de vraag. Daarmee is de verzamelde informatie aan het eind van het onderzoek niet meer dezelfde als aan het begin. Als er met meerdere onderzoeksassistenten wordt gewerkt, dan kunnen de assistenten elk een andere uitleg geven waardoor de vraag van inhoud verandert en dus geen vergelijkbare informatie oplevert.
      

Tenslotte is er het nadeel van het kostenaspect. Het is een kostbare zaak als de onderzoeker naar iedere respondent gaat of zijn assistent er naar toe stuurt. Bij kleine aantallen zijn de kosten nog te overzien, maar zodra er meer dan 15 zijn wordt het een dure aangelegenheid.

Copyrights

© Foeke van der Zee / BMOOO - Woordenboek onderzoek, methodologie en statistiek

Meer MOA


Kennispartners van Clou

MOA is een

CRKBO Instelling CMYK

Contact

MOA, Expertise Center voor Marketing-insights, Onderzoek & Analytics

Kingsfordweg 151, 1043 GR, Amsterdam
+31 20 5810710
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.