Vragen (typen)

Er zijn diverse vormen van voorkomen van vragen. Een eerste hoofdindeling is die van open versus gesloten vragen.
Een open vraag is een vraag waar geen antwoordalternatieven bij staan; het is geheel aan de respondent om zelf een antwoord te bedenken. Bij gesloten vragen staan wel antwoordalternatieven. De respondent moet nu een keuze maken uit deze alternatieven, en in een enkel geval mag hij er meer aankruisen. Omdat het soms niet doenlijk is om alle alternatieven op te nemen, maakt de onderzoeker soms gebruik van een tussenvorm: hij somt een reeks antwoordalternatieven op waar de meeste respondenten er wel één van kunnen aanstrepen, en geeft in het laatste alternatief de mogelijkheid om daar iets in te vullen. Dit soort vragen heten half-open vragen.
De open vragen worden vrijwel alleen in onderzoeken met kleine aantallen respondenten gebruikt. Indien er veel respondenten zouden zijn, dan raakt de onderzoeker 'de draad kwijt'. Dat wil zeggen: door al die (soms ellenlange) verhalen lukt het hem steeds minder goed om daaruit nog de hoofdlijnen te halen en dat als een gegeven te zien. Mogelijk ook raakt hij bevooroordeeld. Tenslotte moet men constateren dat een latere respondent niet meer dezelfde impact op de onderzoeker heeft als een van de eerste respondenten.
Gesloten vragen worden vooral gebruikt om gegevens systematisch op te vragen. Het kan gaan om grote groepen, maar dat hoeft niet. Het grote voordeel is dat de gegevens mathematisch zijn te analyseren: er kunnen percentages worden berekend over de antwoorden (het aantal mensen van het totaal dat een bepaald antwoordalternatief heeft aangekruist) en - indien mogelijk - kan men ook gemiddelden berekenen. Aansluitend kan men met behulp van de statistiek nagaan of deze uitkomsten overeenkomen met een verwachting, of dat groepen van elkaar verschillen. Ook kan men nagaan of de antwoorden op bepaalde vragen een bepaalde samenhang vertonen.

Gesloten vragen kunnen in verschillende vormen voorkomen. De volgende zijn de meest voorkomende:
1. Een volledig vragende zin met daaronder een aantal antwoordalternatieven waaruit men één mag kiezen. Bijvoorbeeld: "In wat voor type woning woont u?"
Indien het aantal mogelijkheden veel is, maar het antwoord op zich wel duidelijk zal zijn, kan men in plaats van het opsommen van alle antwoordalternatieven de respondent de mogelijkheid geven zelf het antwoord in te laten vullen op een kort stippellijntje of in hokjes. Bijvoorbeeld: "Wat is uw leeftijd?" of "Welk rapportcijfer zou u willen geven aan ...." Het moet dan wel duidelijk zijn of men de leeftijd wil weten in jaren, maanden of dagen, en voor het rapportcijfer moet duidelijk zijn of er ook halven, plussen en minnen mogen worden gegeven.
2. Een volledige vragende zin met daaronder een aantal antwoordalternatieven waarvan men meerdere mag aankruisen. Bijvoorbeeld: "Wat zijn de redenen geweest om deze winkel te bezoeken?"
3. Een dichotome vraag, dat wil zeggen een vraag met slechts twee antwoordmogelijkheden. Bijvoorbeeld: "Is er momenteel in uw keuken een vaatwasser?"
4. Een checklist is een lijst met ja/nee vragen. Bijvoorbeeld: "Kunt u aanvinken op welke van onderstaande tijdschriften u geabonneerd bent?"
5. Reacties op beweringen of stellingen, of ook wel dimensie-vragen. Bijvoorbeeld: "Wilt u aangeven in welke mate u het met de volgende stelling eens bent?"
De dimensie is tegenwoordig meestal een 5-puntsschaal die loopt van helemaal mee eens / mee eens / noch mee eens noch mee oneens / mee oneens / helemaal mee oneens. In plaats van de 5-puntsschaal kan men ook een 7-puntsschaal of een 9-puntsschaal gebruiken maar dan is het moeilijker om iedere punt op de schaal een goede betekenis in woorden te geven.
Omdat de 5-, 7- en 9-puntsschaal een natuurlijk evenwicht hebben in het middelste punt, wordt ook wel een 4-, 6- of 8-puntsschaal gebruikt. De respondent wordt daardoor min of meer gedwongen om een keuze te maken die in ieder geval niet in het neutrale midden kan liggen.
De punten op de dimensie kan men ook anders benoemen. Voorbeelden daarvan zijn: "helemaal niet van toepassing" versus "helemaal van toepassing" of "erg interessant" versus "erg oninteressant" of "erg smakelijk versus erg onsmakelijk". Bij het opstellen van de dimensie in woorden moet men er op letten dat het slechts één dimensie betreft en dat de beide uitersten elkaars tegenpolen zijn.
Brinkman (1994) geeft naast bovenstaande voorkomende gesloten vragen ook nog de volgende die iets minder vaak voorkomen maar voor bepaalde situaties erg geschikt zijn:
6. Aan te vullen beweringen. Bijvoorbeeld: "Als ik 's morgens opsta, is het eerste wat ik doe ...."
7. Rangschikkingen. Bijvoorbeeld: "Geef van onderstaande 7 snacks aan welke u het lekkerst vindt, welke het een na lekkerst, etc. tot de snack die u het minst lekker vindt. Geef de lekkerste snack het cijfer 1 en de minst lekkere het cijfer 7."
8. Lijnschalen. Bijvoorbeeld: "Geef op onderstaande lijn aan in hoeverre u dat gevaarlijk vindt." Bij dit soort vragen moet dan ook nog een lijst staan met welke aspecten men onderling wil vergelijken. Omdat op de lijn zelf geen schaalwaarden staan, is het moeilijk aan te geven hoe de antwoorden moeten worden gescoord, of gecodeerd.
9. Beeldvragen. Hierin laat men plaatjes zien en stelt men de vraag. Bijvoorbeeld een plaatjes van een rommelige en een plaatje van een opgeruimde kamer met daaronder de vraag welke het meest overeenkomt met de eigen situatie.

Copyrights

© Foeke van der Zee / BMOOO - Woordenboek onderzoek, methodologie en statistiek

Meer MOA


Kennispartners van Clou

MOA is een

CRKBO Instelling CMYK

Contact

MOA, Expertise Center voor Marketing-insights, Onderzoek & Analytics

Kingsfordweg 151, 1043 GR, Amsterdam
+31 20 5810710
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.